Alarmerende studies steeds opnieuw aanleiding voor aanwakkeren onderliggend debat ggo’s

Subcommissie Ethiek en Maatschappelijke Aspecten

Inleiding: Op internationaal niveau wordt door bedrijven, universiteiten en onderzoeksinstellingen onderzoek gedaan naar de mogelijke risico’s en korte- en langetermijneffecten van bestaande en nieuwe ggo’s voor mens, dier en milieu. De onderzoeksresultaten vormen de basis voor de milieurisicobeoordeling die door vergunningverlenende instanties wordt uitgevoerd. Hoewel het merendeel van de onderzoeken uitwijst dat er geen significante schadelijke effecten optreden bij de toepassing van ggo’s, verschijnen er ook met enige regelmaat studies die concluderen dat bepaalde ggo’s wel schade kunnen berokkenen aan de gezondheid van mens, dier of aan het milieu. Deze ‘alarmerende studies’ veroorzaken felle discussies in de politiek en het natuurwetenschappelijke domein en leiden tot maatschappelijke onrust.

Deze publicaties komen ook bij de COGEM onder de aandacht en roepen vooral bij de subcommissie Ethiek & Maatschappelijke Aspecten een aantal belangrijke vragen op. Eén van deze vragen is waarom deze ‘alarmerende’ publicaties steeds opnieuw tot eenzelfde discussie en herhaling van zetten leiden. Is het mogelijk om uit deze rituele dans te ontsnappen?

Aanleiding: In september 2012 verscheen er in het internationale tijdschrift Food and Chemical Toxicology een artikel van een Frans onderzoeksteam onder leiding van Gilles E. Séralini waarin de resultaten werden gepresenteerd van een tweejarige voedingsproef met ratten. De ratten waren gevoerd met de gg-maïs NK603 en verschillende concentraties van het herbicide Roundup. De onderzoekers concluderen dat de ratten gevoed met NK603 en Roundup eerder, meer en ernstigere tumoren ontwikkelen dan de controlegroep. De schokkende foto’s van ratten met enorme tumoren haalden wereldwijd het nieuws. Zowel de EFSA als diverse nationale autoriteiten en wetenschappelijke adviesorganen beoordeelden de studie en concludeerden dat deze dermate methodologische tekortkomingen had, dat de conclusies niet gerechtvaardigd waren. Daarmee is de discussie echter niet afgedaan. De publicatie van Séralini en de discussie daar omheen over zowel wetenschappelijke onderzoeksmethoden, de bredere nut/risico argumenten over ggo’s en persoonlijke aanvallen over en weer blijven terugkeren in het nieuws.

In de signalering “Waar rook is, is vuur? Omgaan met de resultaten van alarmerende studies over de veiligheid van ggo’s” analyseert de COGEM de dynamiek van discussies over ‘alarmerende’ studies over de veiligheid van ggo’s. Deze blijken een herkenbaar en herhalend patroon te hebben, waarbij betrokkenen het uiteindelijk niet eens worden over de betekenis en consequenties die aan de onderzoeksresultaten verbonden moeten worden.

Alarmerende studies zullen altijd een aanleiding vormen om het (inter)nationale wetenschappelijke, maatschappelijke en daarmee ook het politieke debat opnieuw aan te jagen. Omdat niet in één oogopslag vast te stellen is of de conclusies van een alarmerende studie kloppen of niet, signaleert de COGEM dat altijd bekeken moet worden of de nieuwe bevindingen aanleiding geven tot herziening van de eerder uitgevoerde risicoanalyse en/of vervolgonderzoek.

Een beoordeling van deze studies door wetenschappelijke adviesorganen blijkt echter onvoldoende om de onrust weg te nemen. In de signalering worden hiervoor verschillende oorzaken geïdentificeerd. Zoals het feit dat producenten de gegevens aanleveren over de veiligheidstesten en risicobeoordelaars deze als uitgangspunt nemen voor de risicobeoordeling. Voor sommigen is het feit dat de producenten de gegevens aanleveren een reden om aan te nemen dat deze niet betrouwbaar zijn. Om het vertrouwen in het systeem te versterken, zou de overheid steekproefsgewijs herhalingsonderzoek kunnen laten doen of inspecties kunnen uitvoeren. Daarnaast zijn er andere aspecten die een belangrijke rol spelen in de discussie over ggo’s, zoals ethische en religieuze bezwaren, de vrees voor monopolisering van de voedselvoorziening en de wens voor een minder industriële vorm van landbouw. De COGEM signaleert dat de overheid zich in het maatschappelijk debat over genetisch gemodificeerde (gg-)gewassen veelal beperkt tot de veiligheidsaspecten, op basis van het oordeel van wetenschappelijke adviesorganen. De discussie is echter breder en vraagt om een grotere rol van politieke besluitvorming omdat de wetenschap hier geen definitieve antwoorden kan geven. De overheid zou beter moeten communiceren hoe zij omgaat met deze bredere kwesties rondom ggo’s en waar deze een plek kunnen krijgen in de discussie.

Opgemerkt moet worden dat de dynamiek en kenmerken van deze maatschappelijke discussie rondom de veiligheid van ggo’s niet uniek is. Dezelfde discussies ontstaan bij andere omstreden (nieuwe) technologieën of ontwikkelingen waarbij maatschappelijke waarden in het geding zijn. Voorbeelden zijn schaliegas, kernenergie, megastallen of vaccinatie. Dit maakt dat de lessen die getrokken kunnen worden uit de argumenteninventarisatie van alarmerende studies en de SWOT analyse van overheidsopties in deze signalering ook relevant zijn voor andere werkvelden en overheden.

En verder: De implicaties van diverse nieuwe biotechnologische toepassingen worden door de subcommissie Ethiek & Maatschappelijke Aspecten met aandacht gevolgd en besproken in de vergaderingen. Naast de signalering over alarmerende studies heeft de subcommissie het afgelopen jaar onder meer gediscussieerd over monitoring van geïmporteerd gg-koolzaad, de ontwikkeling van nieuwe herbicidentolerante planten, de mogelijke maatschappelijke impact van gg-vaccins en de opkomst van kunst & ggo’s. Het laatste onderwerp is in de tweede helft van 2013 voor het voetlicht gekomen naar aanleiding van enkele vergunningaanvragen voor tentoonstellingen met ggo’s. Aan dit onderwerp zal de subcommissie in 2014 in ieder geval aandacht gaan besteden in de vorm van een signalering.

Prof. dr. Frans Brom
Voorzitter subcommissie Ethiek en Maatschappelijke Aspecten