Nieuwe veredelingstechnieken - consequenties voor de risicobeoordeling?

Subcommissie Landbouw

Van de vele onderwerpen die in het jaar 2013 de subcommissie Landbouw passeerden, licht ik er hier één uit, een onderwerp dat vaak terugkeert in de discussie. De COGEM beoordeelt het risico van genetisch gemodificeerde gewassen in het licht van de huidige stand van de wetenschap. Maar de wetenschappelijke inzichten veranderen voortdurend en dit geeft soms spanning met de beleidskant van de risicobeoordeling. Het beleid, waarvan de hoofdlijnen al 20 jaar geleden zijn vastgelegd, kan namelijk niet zo snel veranderen. Vandaar dat steeds de vraag zich weer voordoet of een bepaald uitgangspunt in de risicobeoordeling nog wel zinvol is in het licht van veranderde wetenschappelijke inzichten. Ook in 2013 heeft de subcommissie Landbouw een discussie gewijd aan dit onderwerp.

De discussie betrof o.a. de technieken die gebruikt worden in de plantenbiotechnologie. In 2006 boog de commissie zich ook al over deze vraag maar 8 jaar is later is ze nog steeds actueel, hoewel de techniek is voortgeschreden. De COGEM-publicaties hebben indertijd geleid tot discussies in Europees verband die zich richtten op een achttal nieuwe technieken zoals het gebruik van nieuwe “directed mutagenesis“ methodes, “zinc finger nuclease” technologie, enz. Als onderdeel van de discussie heeft een Europese werkgroep zich gebogen over de diverse technieken, en publiceert de EFSA ook een aantal opinies, maar ondertussen ligt de discussie momenteel vrijwel stil. De OECD heeft het onderwerp voor 2014 op de agenda gezet. Zij organiseert een workshop en zal een rapport over nieuwe technieken uitbrengen.

Tegen deze achtergrond boog de subcommissie Landbouw zich opnieuw over de vraag of er redenen zijn om vervolgacties in gang te zetten. Sinds het mogelijk werd om voor een relatief gering bedrag hele genomen uit te lezen doet de vraag zich voor of het gewenst is dat van genetische gemodificeerde lijnen de volledige genoomsequentie bekend is en meegenomen wordt in de risicobeoordeling. Daarmee wordt namelijk een volledig inzicht gegeven in alle genetische veranderingen die als gevolg van de modificatie aangebracht zijn. Door vergelijking van verschillende variëteiten kan bovendien inzicht gekregen worden in de “ruis” in het genoom, d.w.z. de DNA-variatie die behoort tot de “normale” biologie van de soort. De vraag is echter of met deze grote hoeveelheid informatie een zinnig doel gediend is voor de risicobeoordeling.

Een tweede vraag is of de informatie van het ingebrachte DNA, inclusief de gebruikte regulatoire elementen, kan leiden tot nieuwe sequenties op de overgangen tussen het oorspronkelijke plantengenoom en de insertie. Bioïnformatische analyse van de hele omgeving van de insertie zou uitsluitsel kunnen geven over het ontstaan van zogenaamde ‘fusie-ORFs’, d.w.z. open leesramen die deels in de insertie en deels in het oorspronkelijke plantengenoom vallen. Als die sequenties tot expressie komen zou dit kunnen leiden tot volkomen nieuwe peptiden.

In zijn algemeenheid is de vraag aan de orde wat feitelijk de betekenis is van de moleculaire karakterisering van een gg-plant. De subcommissie richt zich primair op de mogelijkheid van milieurisico’s die een bepaalde modificatie veroorzaakt. Dat wil zeggen dat er een of ander fenotypisch kenmerk van de plant veranderd is dat een als negatief te waarderen effect op het milieu tot gevolg heeft. De vraag is of het zinvol is de veranderingen op moleculair niveau zo gedetailleerd in kaart te brengen als niet duidelijk is welke fenotypische effecten daaraan verbonden zijn.

Het standpunt van de subcommissie is dat de moleculaire karakterisering niet op zich staat. Uiteindelijk zijn het alleen de als negatief te waarderen fenotypische effecten die bepalen of een bepaalde modificatie gevaar oplevert voor het milieu. Wel is het zo dat op basis van de moleculaire karakterisering een eigenschap geïdentificeerd kan worden die veranderd zou kunnen zijn. Dat wil zeggen, de moleculaire analyse kan richtinggevend zijn voor de fenotypische analyse. Wanneer bijvoorbeeld een nieuw open leesraam gevonden wordt dat codeert voor een peptide met toxische eigenschappen voor insecten, zou aanvullend onderzoek kunnen plaatsvinden naar niet-doelwit-organismen. Wanneer een potentieel peptide gevonden wordt dat bijdraagt aan de kouderesistentie zou onderzoek naar de overleving van het gewas onder lage temperaturen in gang gezet kunnen worden. Om deze reden zal de moleculaire karakterisering voorshands een rol blijven spelen in de beoordelingen door de subcommissie.

In dezelfde discussie moet ook een publicatie van de Britse ’Advisory Committee on Releases to the Environment’ (ACRE) gezien worden. Deze commissie stelde, in een in 2013 gepubliceerd rapport, voor om te komen tot een fenotype-gebaseerde regelgeving. Het punt is dat de met nieuwe technieken gemodificeerde organismen in veel gevallen niet te onderscheiden zijn van niet-gemodificeerde organismen. Volgens ACRE betekent dit dat de gangbare regelgeving niet meer voldoet, want die is gebaseerd op de manier waarop organismen geproduceerd worden. Een gg-gewas, gedefinieerd als een gewas dat via genetische modificatie tot stand gekomen is, valt altijd onder de ggo-regelgeving ook al is het eindproduct niet te onderscheiden van een gewas dat via gangbare veredeling geproduceerd is. De ACRE beschouwt deze situatie als in toenemende mate onhoudbaar en pleit voor een meer effectieve risicobeoordeling die het product zelf, het fenotype, als uitgangspunt neemt.

De COGEM heeft met belangstelling kennis genomen van het ACRE-advies, dat in lijn is met de mening van de COGEM. De COGEM heeft al eerder geconstateerd dat de nieuwe technieken leiden tot een onhoudbare spanning met de procesbenadering. In 2008 werd daarover een internationaal symposium georganiseerd. Uiteindelijk is voorgesteld om een tussenweg te kiezen gebaseerd op een interpretatie van het Cartagena-protocol, wetende dat een herziening van het Europese beleidskader een onhaalbare kaart is. De ScL zal doorgaan met het volgen van nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen, inclusief nieuwe technieken en zich daarbij steeds afvragen of die ontwikkelingen nopen tot een herziening van haar risicobeoordeling.

Prof. dr. Nico M. van Straalen
Voorzitter subcommissie Landbouw